Kraftwerk toert deze zomer langs bijzondere locaties, een reeks optredens die vorig jaar begon, precies vijftig jaar na hun doorbraakalbum Autobahn. Een net niet uitverkocht Paleizenplein, met zijn statige charme, vormde een opvallend decor voor het retrofuturisme van de Duitse krautrockpioniers.
Als de zwarte monoliet uit Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey stak Kraftwerks podium voor aanvang boven de kasseistenen uit. Het was een relatief klein, rechthoekig blok, opgetrokken uit ledschermen. In een uitsparing stonden de consoles van de vier mensmachines klaar, wachtend op hun operators.
Precies om 21 uur doken Ralf Hütter en zijn drie medemensmachines in hun lichtgevende bodysuits die nis in, waarop ze versmolten met de beelden brakende ledschermen rond hen. Hütter, inmiddels 78, leidt het geheel, bijgestaan door Henning Schmitz, terwijl Falk Grieffenhagen en Georg Bongartz de visuals verzorgen. In het Kraftwerk-universum zijn klank en beeld één.
‘Numbers’ herinnerde je meteen aan de muzikale erfenis van Kraftwerk: je hoorde er de vertraagde elektronische ritmes en industriële pulsen van de new beat in, alsof de Confetti’s waren neergedwarreld op het plein. De hele avond toonde Kraftwerk dat zijn DNA overal verspreid is in de elektronische muziek, van de techno en house tot synthpop en hiphop.
Helgroene cijfers verschenen op de schermen, even later ook binaire digits, een verwijzing naar hoe onze wereld door cijfers, data en algoritmes wordt beheerst. Kraftwerk was niet alleen muzikaal visionair, ook hun ideeën liepen op hun tijd vooruit. Ze zongen over kunstmatige intelligentie, voorspelden internetdating en een door schermen gedomineerde wereld – thema’s die in 2025 nog urgenter voelen, nu AI en datahonger het maatschappelijke debat domineren.
“I program my home computer, beam myself into the future”, zong Hütter. Die toekomst heeft allang plaatsgevonden. Maar de vragen die Kraftwerk opwierp, klonken actueler dan ooit.
In hun fascinatie voor vooruitgang keken Hütter en co ook altijd achterom, beseffend dat verleden, heden en toekomst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In ‘Spacelab’ keken we vanuit een ouderwets ruimtestation naar de aarde, waarna een vliegende schotel langs het Atomium zoefde en op het Paleizenplein landde. Op de getekende snelwegen van ‘Autobahn’ tuften vintage Mercedes’en en VW’s. “Fahr’n, fahr’n, fahr’n”, zong Hütter, als een Teutoonse versie van de “fun, fun, fun” van The Beach Boys.
Loepzuiver klonk Kraftwerk, exuberant en tegelijk minimaal. Dat contrast zat in alles: een baslijn die opbouwde tot dansvloerintensiteit, maar strak werd ingekaderd door mathematische precisie; visuals die tegelijk uitbundig kleurden en kaal geometrisch bleven. Onderkoeld soms, maar in de ‘Computer love’, met zijn mee door Coldplay onsterfelijk gemaakte riedel, ook frivool, bijna zwoel, met een discobeat. De 8.000 fans leefden op bij die momenten, minder bekende nummers als ‘Airwaves’ en ‘Tango’ kregen niet meer dan een beleefdheidsapplaus.

