In de woonkamer, ergens stil in de diepe Kempen, wijst Alicja Gescinska me haar vier werkplekken aan. Verspreid over de ruimte, elk gericht naar een ander stukje van de tuin, staan drie eikenhouten bureaus, en aan de grote centrale tafel heeft ze een vierde vaste schrijfplek – daar zit ze helemaal rechts, waar ze, alweer, de tuin kan zien, net naast een klein, innemend schilderwerkje van de dichter Paul Snoek. De meerdere werkplekken zijn een noodzaak voor de zwervende geest en doelbewust dwalende denker die Gescinska is en wil zijn. Op haar, bijna, vijfenveertigste is ze al meer dan tien keer verhuisd, “dit is hier trouwens ook een tussenhalte”, en ook binnen de muren verandert ze graag van richting.
“De plek waar je zit, wat je ziet, wat je hoort, hoe het licht invalt, dat beïnvloedt je. Als ik aan het ene bureau aan het schrijven ben, en ik zit vast, dan pak ik mijn boeltje en verhuis ik naar een ander. Daar kan ik herbeginnen. Ik zie nieuwe bomen en bloemen, ik zie ander licht en schaduwen, en ik kan weer verder. In beweging komen is wel vaker de beste oplossing. Wil je dit gesprek niet liever wandelend doen?” Gescinska stelt al eens vragen die als conclusies klinken. Of ook: ze formuleert haar conclusies graag als vragen.
Een ijzige noordwestenwind doet ons toch maar binnen blijven. We gaan aan de grote tafel zitten, naast de vleugelpiano, met vers gebakken rabarbercake tussen ons in, en koffie die haar man Steven komt opdienen. Die cake was ze vanmorgen net aan het bakken toen ze telefoon kreeg van haar uitgeefster: van Vrouwen in duistere tijden blijken net ook de Spaanse vertaalrechten verkocht. Na vier maanden zit het boek al aan zijn zevende druk. Ze maken duidelijk diepe indruk, de tien vrouwen die elk op eigen moedige wijze het kwaad van de twintigste eeuw recht in de ogen hebben durven te kijken. Gescinska schetst ze alle tien genegen grondig en helder, en met een kenmerkende eerlijkheid – de hagiografie dreigt nooit, daarvoor is het respect voor de vrouwen te groot.
Dit boek is de vrucht van twintig jaar denken, schrijft ze in de inleiding. Doorheen dit boek leer je met andere woorden nog een elfde vrouw kennen, en dat is Alicja Gescinska zelf.
Zoals Alicja Gescinska praat in haar vastberaden klare taal en met wijdopen ogen die al eens vergeten te knipperen, lijkt het behoorlijk moeilijk eraan te twijfelen dat ze het meent. Ze is hier en nu aanwezig. Midden in een antwoord onderbreekt ze zichzelf om me bij mijn tweede hap te vragen of de cake wat meevalt – “Heb ik hem genoeg gezoet?” – om daarna in éénzelfde adem de draad van haar antwoord weer op te pikken. Er lijkt weinig aan haar aandacht te ontsnappen, en als iets haar aandacht heeft, is ze betrokken. Samen met Barbara Skarga (1919-2009) is ze ervan overtuigd dat haat dan wel de motor is van het kwaad, maar dat onverschilligheid de brandstof is.
Toen ze dus van binnenuit meemaakte hoezeer politieke campagnes bovenal gingen over “het eindeloos kleur kiezen van onze zwembroek”, schreef ze het niet mis te verstane Intussen komen mensen om. Toen ze vaststelde hoe weinig vrouwelijke denkers uit de twintigste eeuw de geschiedenisboeken van de eenentwintigste eeuw hadden gehaald, schreef ze dat monument voor alvast tien onder hen. En omdat ze nog elke dag ondervindt hoezeer die eenentwintigste eeuw hardnekkig slechtziend blijft voor vrouwen, wekte ze, in het net verschenen De ontdekking van de vrouw, Simone de Beauvoir tot leven, die ons verbijsterd en verbolgen komt toespreken.
“‘Achterhaald.’ Dat is het woord dat ik altijd weer hoorde vallen bij De tweede sekse”, zegt ze. “Het boek is gepubliceerd in 1949 en het klopt, er zijn passages en bronnen die ingehaald zijn door de tijd. Maar toen ik het onlangs opnieuw las, stond ik ervan versteld hoe pijnlijk accuraat het, na 77 jaar, nog altijd is. Ik heb het dan nog niet eens over de manosfeer, die neoconservatieve opstoot onder jonge mannen, en de hele cultus van de ‘nieuwe vrouwelijkheid’ in de vorm van tradwives en momfluencers. Ik heb het vooral over de blijvende vanzelfsprekendheid in onze samenleving van het mannelijke model. En daar zijn we allemaal, al dan niet bewust, medeplichtig aan. Als ik een zaal vol mensen vraag om een grotbewoner te tekenen, dan krijg ik van iedereen een man met een knuppel. We staan er gewoon niet bij stil hoe diep dat ingesleten is. Wat De Beauvoir zei: je wordt niet als man of vrouw geboren, je wordt tot man of vrouw gemaakt. Die maatschappelijke rollen blijven ons, van bij de geboorte, achtervolgen. Jij mag wild zijn, jij niet. Jij mag vlekken maken, jij niet. Jij mag huilen, jij niet. Daar is, helaas, nog altijd veel te weinig achterhaalds aan.”
.jpg)
