Reizen is een manier van leven, en ook van lezen. Op het plein van de heilige Marcus in de Verheven Stad staat op een zuil een beroemde leeuw afgebeeld. De leeuw, het zinnebeeld van de evangelist, is gevleugeld en houdt een opengeslagen boek vast. De dierenkoning predikt dus vrede. Een gesloten boek zou duiden op oorlog. Wie nu een leeuw zou willen afbeelden, in onze oorlogsdronken wereld, zou het boek moeten dichthouden.
Vrede als een open boek fascineert me, omdat het boek mijn beroep is. Ik blijf lezen, boek open of dicht, en lezend loop ik door de stad, waar het sublieme circus van de Biënnale is begonnen, de grootste kunsttentoonstelling op aarde, die tegelijk een wereldpodium is, waar politiek nooit ver weg is. Politiek in enge zin, die van het televisiejournaal, en politiek in filosofische zin, die van Aristoteles toen hij nadacht over deugd, gemeenschap en harmonie.
Ik heb het gevoel dat de Tagespolitik en de wijsbegeerte elkaar in Venetië de hand reiken. Het journaal stond de laatste weken alvast bol van protest tegen twee landen waar de boeken onherroepelijk dicht zijn: Israël en Rusland. Het Russische paviljoen kreeg zowaar bezoek van de Russische gemaskerde strijdsters van Pussy Riot en van de Oekraïense topless activistes van Femen.
Een vorm van filosofische politiek vind ik daarentegen in een van de duizelingwekkende 16de-eeuwse paleizen zoals San Rocco, waar Jan Fabre zijn bevlogen, speelse ode aan de verbeelding brengt (genaamd The quiet source), en waar ik word voorgesteld aan Björn Geldhof. Hij is curator van Still Joy, een tentoonstelling met Oekraïense kunst. Still Joy kaapt de kijker weg uit de overbevolkte stegen van de Verheven Stad en werpt hem in een wereld van ontroering en vervreemding: de realiteit van een land in oorlog. “Je moet,” fluistert de curator me toe, “de tentoonstelling eigenlijk lézen.”
Zo loop ik, in het hart van Venetië, lezend Oekraïne binnen, met name het Palazzo Contarini Polignac. De expo begint met opnamen van een ravefeest, flitsen van schijnbaar blije jongelui met bang bonzende harten verborgen achter de lach van de hoop. Ondanks de oorlog, die zijn vijfde jaar is ingegaan, maar eigenlijk al twaalf jaar duurt (sinds 2014, de annexatie van de Krim), koestert Oekraïne hoop. Meer dan vijftienhonderd ochtenden en avonden, vier keer Kerstmis, vier winters, vier zomers, de vijfde breekt al aan.
Hoe is het mogelijk, vraag ik me dagelijks af. Als westers verwend nest kan ik me de Oekraïense veerkracht nauwelijks voorstellen. Op Geldhofs tentoonstelling hangen getuigenissen. “Vreugde is als de eeuwigheid aanraken”, lees ik. Of: “Vreugde is het verheffen van banaliteit tot iets existentieels”: vogelgezang in de loopgraven tussen lijken, een kraan waaruit leven druppelt, een kindertekening van een ‘tichochodka’ of beerdiertje, dat amper een halve millimeter groot is, maar echt beresterk, en waarover een kind schrijft: “Dit wezentje werd aangetroffen in de reactor van Tsjernobyl en kan een atoombom overleven, daarom wil iedere Oekraïner een tichochodka zijn.” Geschubd, spinachtig, fluweelwormachtig is zo’n beertje, en bovendien krom en slungelig, het lelijkste eendje van de schepping, maar taaier dan het taaiste mensenkind. Bron van vreugde.
Na de fauna volgt de flora: een haag van planten, die bombardementen op scholen, bibliotheken en ziekenhuizen hebben overleefd, verminkt weliswaar, vanzelfsprekend, en nu op zoek naar een nieuwe thuis. “Een toevlucht voor kroongetuigen van de oorlog,” zegt de kunstenares, “en wie weet hoe lang nog op de vlucht.”
Vervolgens komen de mensen. Op een metershoge wand kijk je als toeschouwer door de lens van een camera op de helm van een soldaat die als verkenner in vijandig gebied binnendringt. Zijn verhaal staat ernaast afgedrukt. De snelle, beklemde ademhaling van de soldaat vermengt zich met je eigen hartslag, en de gedachten worden niet letterlijk uitgesproken, maar de angst voor een kogel uit onverwachte hoek of een landmijn op een idyllisch boerenerf schreeuwt van het scherm af. En daarna komt de vreugde van het overleven, ondanks alles.


