“De Belg is somber. Over anderen, over zichzelf, over vandaag en over morgen.” Professor Stefaan Walgrave (UAntwerpen) is verrast hoezeer somberte, maatschappelijk ressentiment en het gevoel van achteruitstelling door De Stemming spoken. Dat is de jaarlijkse opiniepeiling die De Standaard, VRT NWS en de RTBF laten uitvoeren door de Universiteit Antwerpen en de ULB. “Mensen voelen zich benadeeld. Dat vertaalt zich in grote politieke onvrede en dus in steun voor radicale partijen.”
De boosdoener heet nostalgie. “Daar wordt internationaal steeds meer naar gepeild”, legt Walgrave uit. “Omdat het een belangrijke drijfveer is voor met name radicaal-rechtse kiezers. Het idee dat vroeger alles beter was en dat ‘mensen zoals wij’ vandaag het onderspit delven.” Voor het eerst werden daarover vier gerichte vragen opgenomen in het onderzoek.
Die nostalgische reflex blijkt vooral sterk bij de achterban van Vlaams Belang en PVDA-PTB. Opmerkelijk is dat in Wallonië ook PS-kiezers uitgesproken negatief zijn over hun maatschappelijke positie. De ecologisten daarentegen, en dan zeker de Vlaamse, blijken het meest immuun voor nostalgie. Walgrave: “Het publiek volgt voor een stuk zijn politici: groene politici spreken over de toekomst, radicaal-rechtse over het verleden.”
Dat de nostalgie zo welig tiert onder Franstalige socialisten en bij uiterst links, vindt hij niet vreemd. “Nostalgie leidt niet noodzakelijk tot conservatisme, maar vooral tot radicalisering. De perceptie dat de welvaartsstaat wordt afgebouwd, dat vakbonden minder macht hebben, dat het sociaal overleg stokt… Dat is de linkse versie van nostalgie. Koppel dat aan besparingen op je uitkering, loon of pensioen en je komt algauw uit bij partijen die daar het felst tegen van leer trekken.”
Die onvrede komt met een prijs, namelijk een tanend geloof in de democratie zelf. De Belg is niet tevreden over hoe de democratie in België werkt. Cru gesteld, zegt professor Walgrave, begrijpen respondenten de vraag naar de werking van de democratie als: ‘Doen politici wat de burgers willen?’ In elk landsdeel vindt de grootste groep van niet: 39 procent in Vlaanderen, 43 procent in Brussel en maar liefst de helft in Wallonië. In Vlaanderen houdt de vorming van de regering-De Wever, geleid door de populairste Vlaamse politicus in tijden, de democratische moed nog overeind. Maar in Wallonië groeit het ongenoegen van 42 procent naar 50 procent.
Weinig verrassend zit het ongenoegen vooral bij de radicale partijen. Slechts 8 procent van de Vlaams Belang-kiezers is tevreden over de werking van de Belgische democratie. Dat contrasteert scherp met de andere Vlaamse partijen, waar dat cijfer minstens 50 procent bedraagt. Bij PVDA blijft het beperkt tot 19 procent. Aan Franstalige kant zit PTB met 9 procent in dezelfde lage regionen als Vlaams Belang.
Inkomen en opleidingsniveau spelen een bepalende rol: hoe lager, hoe groter de ontevredenheid. En in Wallonië en Brussel liggen die lager dan in Vlaanderen. “Maar wanneer we die factoren wegfilteren, dan blijft het regionale verschil bestaan”, benadrukt Walgrave. “Walen en Brusselaars zijn dus op zich negatiever dan Vlamingen, los van hun individuele situatie.”
Hij ziet daarvoor twee redenen. “Aan Waalse zijde heb je twee blokken tegenover elkaar: PS en PTB versus MR en Les Engagés. In Vlaanderen heb je een bonte oppositie van Vlaams Belang, Anders, Groen en PVDA tegenover de brede coalitie van N-VA, CD&V en Vooruit.” Vooral Vooruit speelt een dempende rol binnen die coalitie, zegt Walgrave. “Zij verdedigen de maatregelen van de regering-De Wever en hameren op hun linkse trofeeën. Dat werkt: de achterban van Vooruit en die van de PS zijn ideologisch gelijkaardig, toch gaapt er een gigantische kloof tussen hun beider appreciatie van het beleid van de regering-De Wever. Er zit soms tot 40 procentpunt verschil op hun mening over dezelfde maatregel.” Walgrave denkt dat dit zelfs effect kan hebben op PVDA-kiezers. “Die staan ook positiever tegenover de regering dan de PTB-achterban.”


