The grief of Red Granny is George Ocloos tweede ‘afropera’: een zelfbedacht theaterconcept waarin hij westerse repertoirehoekstenen met Afrikaanse traditie combineert. Zijn eerste creatie onder die noemer, The golden stool, was een geweldig succes – De Standaard noemde ze een van de tien beste theaterproducties van 2023.
The grief of Red Granny is losjes gebaseerd op het rouwproces van Koningin Elisabeth nadat haar man, Koning Albert I, in 1934 bij een klimongeval was omgekomen. Diens begrafenis bracht een enorme volkstoeloop teweeg, maar de koningin ontbrak: uit protocollaire overwegingen mocht Elisabeth niet aanwezig zijn op de publieke uitvaart.
Een vrouw die niet in het openbaar mag rouwen om de dood van haar man: dat is een interessant vertrekpunt, en de theatrale uitwerking ervan is best overtuigend. Een uitstekende Tine Joustra brengt een monoloog over liefde en houden van, over pijn, verdriet en loslaten – moeiteloos tussen vier talen laverend. De tekst is doordacht, met treffende quotes en bij momenten geestige momenten: ‘I love you smaakt zwaar en moeizaam als ademen in Tsjernobyl, geladen als een scheet verstopt achter diarree.’
Joustra wordt op scene vergezeld door zes Zuid-Afrikaanse muzikanten, elk gehuld in imposante, koningsrode haute-couture die onze Eurosong-kandidaat niet zou misstaan. Tijdens de gesproken monoloog voert het sextet allerlei rituelen op: nu eens met bloemen, dan weer met een gekroond geitje. Daarmee lijken ze de protagoniste te begeleiden in haar zoektocht naar troost en aanvaarding.
Muzikaal is de voorstelling opgebouwd rond Pergolesi’s Stabat mater. Het werk, dat op een aangrijpende manier de rouw van Maria om haar gekruisigde zoon uitdrukt, is nog steeds onnoemelijk populair – het staat bijvoorbeeld al jaren bovenaan in Klara’s top 100. Ocloo bewerkte het voor basgitaar, drum, cello en zang. Alleen: het ontbreekt de arrangementen aan durf. De originele zanglijnen – niet altijd even technisch, maar wel beklijvend uitgevoerd – worden ondersteund door een weinig geïnspireerde begeleiding. Iets te vaak lijken de melodieën in een soort metal-cover te verzanden, wat meer doet denken aan Helmut Lotti’s Heart rock-project dan aan de ‘muzikale orkaan’ die de programmatekst belooft.
Het ‘Fac ut ardeat’ pakte hij wel met meer lef aan, en met effect: het experiment met asymmetrische ritmiek schuurt en kraakt, waardoor de barokhit een ontheemd karakter krijgt.
