“Elk zijnen dag!”, roept een krom vrouwtje in badjas en op pantoffels vanuit haar deuropening. Ze heeft krulspelden in haar haar en rookt een sigaret. “Wa komn junder ier doen?” “We komen een plaat opnemen!”, roep ik terug terwijl ik mijn gitaarversterker uit mijn autootje hijs. De schapen in de weide aan de andere kant van de baan lopen in rondjes achter elkaar te blèren.

De studio ligt in Bavikhove, deel­gemeente van Harelbeke, waar de mensen ondanks het protest van Gerrit ­Callewaert nog steeds met ondertitels spreken. Toen we deze zomer op het marktplein van Harelbeke optraden, kwam Arjan naar ons toe en vroeg hij of we nog op zoek waren naar een plek om onze plaat op te nemen. Hij gaf al zijn spaargeld aan de Belgische studio-ontwerper Thomas Jouanjean, wereldberoemd van Sterling Sound in New York, de studio van Skrillex en nu natuurlijk van de Barefoot Recording Studio in Bavik­hove.

We blijven hier de hele week. Sybe is al binnen. Hij is vroeger gekomen om de drum op te stellen. Om drie uur, het moment waarop we hadden afgesproken, stuurde hij een video in de Whatsappgroep waarin hij een luchtmatras oppompte. Loeke antwoordde dat ze een halfuur vertraging had. Ik schreef dat ik mijn slaapzak niet vond. En bij Amanda bleef het stil. “I love you guys”, antwoordde hij met een meme van Stormzy op de Brit Awards.

De avond ervoor was het laat geworden. We speelden in Den Haag, waar we na het optreden aan de merch-stand lang bleven napraten met een dreadlock-trio, twee meisjes en één jongen, die met z’n drieën in een hippiebusje wonen. Ze waren helemaal uit België gekomen om ons te zien. Het jongste meisje is er pas sinds dit jaar bij gekomen. Ze noemde zichzelf het groene blaadje. Naarmate het gesprek vorderde, werd ze steeds bleker, tot ze rood begon te braken. Daarna gingen we naar huis.

Boven de studio is een zolderruimte waar de vier luchtbedden klaarstaan die Sybe ondertussen heeft opgepompt. ­Koken doen we op campingvuurtjes, die Loeke van thuis heeft meegebracht. Omdat er alleen een Poolse winkel open was, eten we de hele week pierogi, placki ziemniaczane en gepekelde groenten.

Het enige toilet is in dezelfde ruimte, met als soelaas een in de muur geschroefd muziekdoosje waaruit een pieperige versie van Henry Mancini’s thema van The Pink Panther komt. Elke keer dat Loeke naar het toilet gaat, roept ­Sybe of het wat stiller kan – en dan roept zij “Sto-oooop Sybe” terwijl ze sneller en sneller aan het molentje draait. Daarna stormt ze de deur uit en slaat ze met haar rendierpantoffel op zijn kop.

We nemen alle instrumenten samen op, zoals we live spelen. Er hangt magie in de lucht. Daarna zingen we vocals en doen we overdubs. We werken door tot na middernacht. Arjan zit in zijn ergonomische bureaustoel in de controle­kamer. Wij liggen in een vleeshoop in de zetel achter hem en giechelen tot we nog eens naar de live-room mogen. ­Faberyayo en Abel, onze labelbazen, wilden graag langskomen, maar we hebben gezegd dat dat niet mocht omdat we ons moesten concentreren.

Tijdens de lunch kruipt de wereld uit onze broekzak: “Sarcofaag geraakt in Tsjernobyl”, “Binnen twee jaar is Rusland klaar om Europa aan te vallen” “Trump dit, Trump dat”. Het lijkt allemaal zo ver weg, het lijkt zo weinig te maken te hebben met ons, hier in Bavik­hove, waar de schapen nog altijd blèren en wij in een liefdevolle omhelzing alsmaar meer van elkaar houden. “Wereldwaan, wereldwaan, waar kom jij vandaan?”, zingen we die namiddag in de studio. Een vrolijk klaaglied, of misschien gewoon een poging om ons af te leiden van het scenario waarin Sybe binnen een paar jaar in de modder ligt te creperen met een FNC-geweer om zijn schouder.