Voor een volle aula van de KU Leuven zei Schild&Vrienden-oprichter Dries Van Langenhove in 2024 dat “mensen niet gelijk zijn”, dat “zwarte mannen vaker in de gevangenis terechtkomen en zwarte vrouwen vaker in de werkloosheid”, en dat zij het ook over het algemeen “iets minder goed doen”. Wel riep hij nooit op tot concrete actie of geweld, naar eigen zeggen deed hij niet meer dan “informatie verspreiden”. Toch werd hij dinsdag door de Leuvense rechtbank veroordeeld voor aanzetten tot haat op basis van ras, huidskleur of etnische afkomst, en voor het verspreiden van denkbeelden die gebaseerd zijn op rassensuperioriteit of rassenhaat.

Premier Bart De Wever (N-VA) schaarde zich gisteren in de Kamer achter partijgenoot en parlementsvoorzitter Peter De Roover, die zich vragen stelde bij het Leuvense vonnis, of toch bij de wetgeving waarop het is gebaseerd. “De antiracismewet heeft eerzame bedoelingen, maar lijkt haar doel voorbij te schieten”, zei De Roover in Knack. Hij sprak over de “angst dat we terechtkomen op een hellend vlak”. “Het gaat mij hier niet om Van Langenhove. Het gaat mij om mensen die geen bekendheid hebben en die misschien iets willen zeggen in het publieke debat, maar zich afvragen: kan ik hiervoor vervolgd worden? Zij zullen sneller zwijgen.”

De bezorgdheden die De Roover uit, speelden ook al in 1981, toen de Belgische regering de eerste versie van de antiracismewet goedkeurde. Vooral uit socialistische hoek werd toen al twee decennia lang geprobeerd om zulke wetgeving door het parlement te krijgen – in eerste instantie veelal om antisemitisme tegen te gaan, later om racisme tegenover gastarbeiders te bestrijden. “Die voorstellen vonden weinig steun”, zegt Jogchum Vrielink, hoogleraar grondrechten aan UCLouvain Saint-Louis en KU Leuven, die een doctoraat over haatspraak-wetgeving schreef.

De voorstellen botsten op een vrees om ‘opiniemisdrijven’ te creëren, om ideeën strafbaar te maken, zegt Vrielink. Die vrees speelde nog altijd toen België in 1975 een VN-verdrag ratificeerde dat lidstaten verplichtte om wetgeving rond racismebestrijding op te stellen. De elementen uit dat verdrag over ‘het verspreiden van denkbeelden gegrond in rassenhaat’ werden in eerste instantie niet in de Belgische antiracismewet opgenomen. In een toelichtende verklaring schreef de regering dat die niet in overeenstemming waren met de Belgische grondwet.

Dat veranderde bij de hervorming van de antiracismewet in 2007. Toen kwam die bepaling er alsnog in. “Op de achtergrond van die en andere verstrengingen van de Belgische racismewetgeving speelde heel vaak de opkomst en groei van het Vlaams Blok”, zegt Vrielink. “Dat was een drijvende kracht.”

De overgrote meerderheid van de meldingen die bij gelijkekansencentrum Unia binnenlopen over haatdragende boodschappen, vooral online, vallen niet onder de definitie van haatspraak, zegt juridisch medewerker David de Vaal. “Ze kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar zijn niet strafbaar.”

Waar het wel tot rechtszaken en veroordelingen komt, ziet Vrielink drie grote types. “Het eerste is dat van de overtuigde daders, erg ideologisch en vaak antidemocratisch gedreven mensen. Nazi’s, die dat ook van zichzelf zeggen, of moslimextremisten. Een tweede type, waar Van Langenhove voor mij onder valt, is dat van de activisten. Mensen die niet zozeer bewust en flagrant over de schreef gaan, maar de grenzen opzoeken of net overschrijden. Zij hebben altijd een argument waarom wat ze zeggen nog net binnen de grenzen van de wet zou vallen. Ze spreken met disclaimers: ‘Ik baseer me op wetenschap.’ Een veroordeling proberen zij vervolgens te instrumentaliseren voor hun eigen gewin.”

Bij het derde type ziet Vrielink de grootste bedreiging voor de vrije meningsuiting. Het gaat om rechtszaken die weinig aandacht krijgen, waarbij de aanleiding tot de veroordeling “een eenmalig incident is”. Denk aan iemand die een keer uit de bocht gaat, zonder dat hij deel uitmaakt van een ideologische beweging. “Omdat die mensen geen onderdeel zijn van een gemeenschap, heeft een veroordeling op hen de grootste impact, met onder meer grote chilling effects. Zij reageren op een veroordeling met overdreven voorzichtigheid, worden ontmoedigd om zelfs over legitieme onderwerpen stelling in te nemen.”