Donderdag gaf premier Bart De Wever (N-VA) op aanzet van Vlaams Belang in de Kamer te kennen dat de vrijheid van meningsuiting zo weinig mogelijk beknot mag worden. Daarmee probeert hij de aanpassing van de antiracismewet op de agenda van de federale regering te plaatsen. Aanleiding was een recent vonnis waarmee de rechter Dries Van Langenhove opnieuw veroordeelde voor aanzetten tot racistische haat.
Ook een hele resem opiniemakers liet horen dat het vonnis van de Leuvense rechtbank voor hen te ver ging. Dat geen van hen zelf ooit racisme heeft meegemaakt, is geen detail. Eensgezind luidt het dat aanzetten tot haat, in tegenstelling tot geweld, moet kunnen, en dat de wet in die zin moet worden aangepast.
Sommigen gaan zo ver om te waarschuwen voor een afschrikeffect. Dat dat net het doel is van die wet, en dat alle onderzoeken net wijzen op het omgekeerde fenomeen, namelijk een zorgwekkende stijging van racistische haat in het publieke debat, is hen kennelijk ontgaan. De verontwaardiging is selectief, en toont aan dat er in dit debat maar één vorm van vrije meningsuiting is die men vooral wil beschermen: die van (veroordeelde) racisten.
Hoewel we het eens zijn met critici dat dit niet het meest zorgvuldig opgestelde vonnis is op het vlak van concrete invulling van de betichtingen, stellen we vooral vast dat de opiniemakers niet gehinderd worden door veel kennis van zaken. Met name over de juridische inzichten van het Grondwettelijk Hof, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de commissie Justitie van de Kamer. Het is teleurstellend dat ze de moeite niet nemen om zich daarover te informeren, maar ondertussen wel de polarisatie van het debat in de hand werken door platitudes in het rond te strooien. Eigenlijk doen ze hetzelfde als sommige politici die haastig wetswijzigingen bepleiten (vaak gaat het dan over zwaardere straffen invoeren) naar aanleiding van concrete gevallen die de media halen.
De afgelopen jaren getuigden personen van kleur – vooral vrouwen – geregeld hoe racistische haatzaaiers georkestreerde campagnes opzetten om hun vrijheid van meningsuiting in de kiem te smoren. Ze kregen stelselmatig online geweld over zich heen dat in veel gevallen ook in het echte leven verwoestende gevolgen heeft. Dat komt dan allemaal boven op de dagelijkse en structurele uitsluiting die ze moeten ondergaan. Die discriminatie wordt al jarenlang vastgesteld door onderzoekers, maar genegeerd door de beleidsmakers. Ook dat structurele onrecht wordt gevoed door haatzaaiers.
Dat net nu de rechten van racisten beschermd zouden worden door de federale regering, is doorzichtig. Middenveldorganisaties waarschuwen al sinds het federale regeerakkoord voor beleidsvoorstellen die de vrijheid van meningsuiting onder druk zetten. Denk aan de wet-Quintin, die organisaties zonder rechterlijke toetsing kan verbieden en een publicatieverbod kan opleggen. Zou de nieuwe antiracismewet daarin dan uitzonderingen inbouwen voor racistisch extremisme? We vragen onze veiligheidsdiensten om haatpredikers op te volgen, terwijl we een beschermd statuut creëren voor haat die wordt gepredikt op basis van raciale of etnische afkomst. Onbegrijpelijk.
Het wettelijke onderscheid tussen aanzetten tot haat en aanzetten tot geweld is inderdaad vaag. Maar de doelwitten van die haat weten maar al te goed dat het in de praktijk vaak een niet te onderscheiden kluwen is. Het resultaat is wel dat fundamentele rechten worden geschaad en grote groepen in de samenleving de boodschap krijgen dat ze moeten zwijgen. Het afschrikeffect zit dáár, niet bij de brulboeien die op de sociale media de ruimte krijgen om haat te verspreiden.
Bovendien wordt abstractie gemaakt van de impact die niet-fysieke vormen van geweld hebben op de gezondheid van mensen die racisme meemaken. De impact van racisme op de mentale gezondheid van de slachtoffers slaat diepe wonden, ook bij kinderen.


