De recente veroordeling van Dries Van Langenhove heeft een intens debat doen losbarsten over de grenzen van de vrije meningsuiting. Voor veel commentatoren ging het vonnis ver. Mensenrechtenprofessor Koen Lemmens (KU Leuven) legde evenwel overtuigend uit waarom de huidige racismewet die uitspraak wel degelijk mogelijk maakt. Daarom eindigde hij zijn analyse met een belangrijke observatie: “Het debat zal moeten gaan over de wetgeving als zodanig, eerder dan over de toepassing van de wet in dit bijzondere geval.”
Is een wijziging opportuun? In de Kamer verklaarde premier Bart De Wever (N-VA) bereid te zijn om dat debat te voeren. Coalitiepartner Les Engagés wees dat onmiddellijk af. Voorzitter Yvan Verougstraete noemde de wet daarbij “een fundamenteel verworven recht van onze democratie”. Daarmee lijkt de kans klein dat zo’n debat er werkelijk komt. Dat is betreurenswaardig, want de wet is wel degelijk problematisch, met name vanuit rechtsstatelijk oogpunt. Dat is een kwestie die alle partijgrenzen hoort te overschrijden.
Een basisbeginsel van ons rechtssysteem is het Romeinse adagium ‘nemo censetur ignorare legem’: de wet niet kennen is geen verschoningsgrond, als je berecht wordt voor een gepleegd misdrijf. Dat houdt in dat burgers de wet moeten kennen. Op dat vlak is de huidige racismewet problematisch. Op basis van die wet kan de burger vandaag onmogelijk weten wat hij wel mag zeggen en wat niet. Dat is vanuit rechtsstatelijk oogpunt onaanvaardbaar, want een rechtsstaat vereist rechtszekerheid. Burgers moeten vooraf weten waar die grens ligt, niet naderhand in een rechtszaal.
Daarenboven schiet de rechtspraak hierover alle kanten uit, net zoals het vervolgingsbeleid van de parketten. Tegen de ene burger seponeert het parket een onderzoek, terwijl die man vanuit een politieke machtspositie een agent had aangemaand geweld te gebruiken tegen een welomschreven etnische groep. Een andere burger wordt door het parket wel vervolgd, en later ook door de rechter veroordeeld, voor het formuleren van de botte, maar wel algemene observatie dat bepaalde migrantengroepen een hogere vatbaarheid hebben voor criminaliteit en uitkeringsafhankelijkheid dan autochtone Vlamingen.
Waar ligt dan de grens? In De Morgen legde Lemmens uit dat de ‘context’ waarin een uitspraak gedaan wordt, doorslaggevend is. Maar er bestaat nooit één afgebakende context. Je hebt die van de persoon die de uitspraken deed, die van de mensen die daar aanstoot aan nemen, en diegene die de rechter meent te ontwaren. Context speelt altijd een rol in de strafrechtelijke beoordeling van een misdrijf. Uiteraard. Maar hier lijkt de context zelf te bepalen of een uitspraak überhaupt een misdrijf vormt of niet. Enerzijds werkt dat milderend op vervolging en bestraffing. Anderzijds maakt het de rechtspraak nog onvoorspelbaarder.
Als de strafbaarheid van woorden afhangt van een complexe postfactumbeoordeling door een rechter van de omstandigheden, de intentie, de maatschappelijke impact en de interpretatie daarvan door derden, eerder dan van de woorden zelf, dan kan de burger vooraf onmogelijk weten waar hij aan toe is. Tegelijk rijst deze fundamentele vraag: is het in een democratie wel opportuun dat een rechter de grens van het toelaatbare debat in de samenleving niet alleen bewaakt, maar eigenhandig bepaalt? Moet dat niet eerder door het parlement gebeuren, met heldere en duidelijke regels?
Voor de goede orde: in dit geval valt de rechterlijke macht niets te verwijten. Er is hier geen sprake van een ‘gouvernement des juges’, laat staan van enige machtsgreep. Het is de wetgever die de rechter hiertoe dwong, door destijds de racismewet te vaag te formuleren. ‘Geweld’ en ‘discriminatie’ zijn daarin welomschreven termen. Maar ‘haat’ is dat veel minder. Haat is een mentale toestand, geen concrete handeling. Daarom is haat op zich niet strafbaar. Toch stelt de racismewet ‘aanzetten tot haat’ wél strafbaar. Maar hoe definieer je dat op een juridisch heldere manier?
Dat kun je onmogelijk. Ziedaar de inherente constructiefout in de huidige racismewet. In de weekendkrant van De Standaard was professor grondrechten Jogchum Vrielink (KU Leuven) daar duidelijk over: “’Aanzetten tot haat’ is een al te vage juridische bepaling, die leidt tot heel uiteenlopende rechtspraak. Ze vraagt van rechters bijna dat ze een discoursanalyse uitvoeren op wat iemand zegt. Daar is een rechter niet toe opgeleid. En dat is ook niet waar het strafrecht voor dient.”


