Het pakket aan goedgekeurde pensioeningrepen is niet van de poes: een pensioenmalus bij ‘vervroegd pensioen’, een nieuwe definitie voor loopbaanjaar (telkens 156 gewerkte dagen nodig), een knip in de gelijkstellingen en ambtenarenpensioenen. Ook het politieke proces is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.
Onder syndicale en maatschappelijke druk kwam de meerderheid telkens met nieuwe bijsturingen. Die aanpassingen waren in de regel positief, maar wie kan nog volgen? Eerst telde ziekte niet mee voor de vrijstelling van de malus, uiteindelijk wel. Eerst telden moederschapsrust en legerdienst niet mee voor het nieuwe vervroegde pensioen, uiteindelijk wel. Zelfs net voor de parlementaire finish diende de regering nog amendementen in. En het ergste: het geheel blijft inhoudelijk en juridisch wankel.
Er zijn twee grote inhoudelijke problemen. Om te beginnen: terwijl de regering inzet op ‘effectieve’ prestaties en langere loopbanen – ‘gedragsverandering’ met andere woorden – grijpt ze wel in op loopbaanjaren uit het verleden. “Vrouwen zullen zich aanpassen”, stelde minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) in maart laconiek. Maar hoe werkt dat als je de nieuwe 156-dagenregel toepast voor jaren waarin ouderschapsverlof nog niet bestond en de plaatsen in de crèche nog schaarser waren?
Ook de nieuwste besparingsmaatregel, het maximale percentage van 20 percent gelijkstellingen, geldt voor loopbaanjaren uit het verleden. Wie recent in een halftijdse landingsbaan stapte, kan zo op zijn 67ste geconfronteerd worden met een lager pensioen. Onder het mom van ‘activering’ probeert de regering een zuivere pensioenbesparing te verkopen.
De ‘gewenste’ gedragsverandering kan trouwens alleen als de nieuwe regels begrijpelijk en transparant zijn. Daar knelt de schoen: de nieuwe pensioenwet is complexer dan een doorsnee doctoraat en allesbehalve transparant. Op een volledige update van mypension.be is het nog maanden wachten. De mensen varen blind en krijgen ondertussen wel de rekening gepresenteerd voor keuzes of gebeurtenissen uit het (verre) verleden.
De tweede inhoudelijke contradictie: terwijl de regering claimt een bijdrage te vragen van de sterkste schouders, doet ze precies het omgekeerde. Het zijn net de allerlaagste pensioenen die de grootste impact ondervinden. Het Planbureau becijferde in april dat de 10 percent laagste pensioenen tijdens deze regeerperiode alleen al dalen met 7,4 percent, op kruissnelheid met 12,1 percent. De knip in de gelijkgestelde periodes voor onvrijwillige inactiviteit hakt er stevig in bij de precaire loopbanen, terwijl de nieuwe 156-dagenregel (voor vrijstelling malus en toegang tot vervroegd pensioen) deeltijds werkende vrouwen treft. Het zijn bij wijze van spreken de poetshulpen die het gelag betalen. Die sociaal regressieve impact is geen accident de parcours, maar voorbedachten rade.
Het geheel blijft ook juridisch wankel. De Raad van State, een belangrijk juridisch adviesorgaan, bracht in haar advies al verschillende juridische pijnpunten aan het licht. De regering bleef er Oost-Indisch doof voor en beperkte zich tot cosmetische aanpassingen. De enige echt inhoudelijke bijsturing was de integrale gelijkstelling van legerdienst – een rechtstreeks gevolg van een rechtszaak van de drie vakbonden, nota bene.
De gestemde pensioenwet kampt dus nog altijd met grote juridische problemen. Om te beginnen is er het risico op discriminatie. De nieuwe 156-dagenregel geldt voor de drie pensioenstelsels, hoewel zelfstandigen, werknemers en ambtenaren op een totaal andere manier pensioenrechten opbouwen. Voor zelfstandigen volstaat het een minimum aan bijdragen te betalen om een volledig kwartaal als voltijds werk te laten meetellen voor het pensioen, terwijl voor een werknemer elke gewerkte dag in rekening wordt gebracht. Daarom treft de nieuwe pensioenmalus vooral deeltijds werkende werknemers. De regering past één regel toe op situaties die in werkelijkheid totaal verschillend zijn.


