In den beginne bevonden we ons in het paradijs, maar toen we nieuwsgierig werden en ‘wilden weten’ werden we eruit geschopt. Er volgden millennia van ambitieuze kennisopbouw – ontdekkingsreizen, uitvindingen, wetenschappelijk onderzoek – en de ontwikkeling van systemen die de nieuwe informatie aan iedereen ter beschikking stellen: encyclopedieën, bibliotheken, onderwijs, oude media en ten slotte de nieuwe sociale media. Informeren werd gestaag massaler en nam de vorm aan van een permanent bombardement.
Het deed ons almaar vaker terugverlangen naar de zalige staat van het niet-weten. Want met het weten kwamen vermoeiende verantwoordelijkheid en het bijbehorende knagende schuldgevoel. Begrijpelijk dus dat almaar meer mensen opteren voor vrijwillige onwetendheid, weliswaar meestal in de tijd beperkt. Ze trekken zich terug in private miniparadijzen en sluiten zich zo goed en zo kwaad als het kan af van wat Maarten ’t Hart “het woeden der gehele wereld” noemde: even geen kranten en geen radio- en televisiejournaals – een hydration break om er daarna weer beter tegen te kunnen.
Voor velen is het de definitie van vakantie: een letterlijke en figuurlijke vlucht uit de werkelijkheid, een vriendelijk “nu even niet”. Het is waar, die time-out werd er de voorbije jaren niet makkelijker op door het mobieltje dat overal met ons meeging. Het ontpopte zich tot een kattenluik voor de actualiteit: samen met elk kattenfilmpje glipte er wat ellende naar binnen – aanslagen, oorlogen, milieu- en natuurrampen, zomerse regeringsbeslissingen door politici die juist rekenden op onze actualiteitsaversie. Maar het lukte nog. De media deden hun best om het nieuws verteerbaar te maken met een relativerend sausje. Een geutje heroïek uit de Ronde van Frankrijk, een quote van een tevreden horeca-uitbater aan de kust en een sfeerbeeld van op de festivalweide, en we konden weer verder.
Tot nu dus, die vermaledijde zomer van 2026. Vooraf waren de opties qua vakantiebestemmingen weer wat beperkter dan de jaren ervoor – onder meer Venezuela, Cuba, Jordanië, Israël, Libanon, de Arabische Golfstaten vielen af, Egypte en de Verenigde Staten werden twijfelgevallen – maar net zoals het wegvallen van de goedweer-garantie op de meeste locaties was dat een geleidelijk proces. Ook waren er wat besognes over een mogelijk tekort aan kerosine en de hittegolven met hun begeleidende waarschuwingen – “blijf binnen, vermijd zware inspanningen, drink voldoende” – waren evenmin een goed voorteken. Maar kom, we gingen toch juist op vakantie om even niets meer te hoeven horen over flipfloppende energieprijzen, het straatje zonder eind genaamd Hormuz, de zelfverheerlijking van Donald Trump of de gruwelijkheden in Soedan, Oekraïne en het Midden-Oosten?
Het was dan ook kwaad wakker worden toen we, al dan niet letterlijk, van ons bed werden gelicht door de wild om zich heen slaande natuurbranden. Emblematisch is het beeld van de badgasten op het strand met aan een gloeiende horizon de zwarte cirruswolken van een oprukkende bosbrand: daar was ze dan, de ooit als dystopie bedoelde hoes van Fischer-Z’s langspeler Red skies over paradise. Ziedaar het nieuwe tijdperk: metafoor en realiteit zijn van plaats verwisseld. Het heeft ons amper 45 jaar gekost om op dit punt te komen. Ziedaar ook de nieuwe condition humaine: niet-weten is definitief onmogelijk geworden, vluchten kan niet meer. What you see is what you get. Zeg niet langer “klimaatverandering”. Zeg “klimaatcatastrofe”.
Natuurlijk verweren sommigen zich nog moedig door het nieuwe gegeven weg te zetten als een accident de parcours, een tijdelijke crisis, een toevallige samenloop van omstandigheden, het gevolg van een pyromanenplaag in niet goed onderhouden bossen die met wat meer inzet van politie en leger makkelijk te bedwingen moet zijn. Van hitte naar heethoofden, zo’n gekke sprong is het niet. Maar de reductio ad absurdum mag dan een beproefde methode zijn, haar houdbaarheidsdatum is verstreken. De werkelijkheid dringt zich op met een nietsontziende ubiquiteit. Voortaan is de realiteit overal. De wereld staat in brand, niet meer alleen in een ver-van-ons-bed-regenwoud, maar nu ook uitgerekend op de plek waar we ons het veiligst waanden voor die grote boze wereld: het paradijs dat onze vakantiebestemming was.
Stijgende zeespiegels, smeltende gletsjers, opschuivende biotopen van tropische insecten, stervende koraalriffen, ontwakende permafrost, uitdrogende meren en binnenzeeën, zich snel verspreidende dodelijke ziektes die de teelt van koffie, bananen, olijven en cacao bedreigen – jarenlang leverden ze interessante documentaires op die met een druk op de knop van de afstandsbediening onzichtbaar werden. En anders was er wel de reclame die ons een geruststellende illusie van normaliteit voorspiegelde: prachtige, gezonde, lachende mensen in goeden doen in ongerepte landschappen. Dat zal ze overigens nog wel een tijdje blijven doen, AI werd net op tijd uitgevonden.
Maar het zal almaar minder helpen. Wat tot voor kort abstract “haalbaar en betaalbaar” heette, vertaalt zich elke dag wat concreter tot “onleefbaar en onbetaalbaar”. Het economische systeem dat onze welvaart moet genereren, komt schoksgewijs tot stilstand. Een greep uit de realiteit van de voorbije weken: treinen werden afgeschaft, kerncentrales werden stilgelegd door een tekort aan koelwater, wegen en fietspaden smolten als kaas, datacenters raakten oververhit en legden ziekenhuizen plat, meer dan 2.000 mensen stierven eerder dan normaal het geval zou zijn geweest, de productiviteit in bedrijven daalde. Intussen valt ook de binnenscheepvaart stil door een gebrek aan water en is het een kwestie van tijd vooraleer ons drinkwater wordt gerantsoeneerd.


