De aanhoudende oorlog in Iran heeft de oliehandelaren tot een nieuw inzicht gebracht. De wereldwijde oliemarkt draait niet alleen om wie de kraan openzet – Opec, Rusland, de Golfstaten – maar ook om wie in een krappe markt over de beste schokdempers beschikt. En dat is vandaag verrassend China.
Het land is de grootste olie-importeur ter wereld en beschikt over een uitzonderlijk grote strategische en commerciële voorraad die eind vorig jaar naar schatting 1,4 miljard vaten groot was. Zo hoefde Peking niet paniekerig bij te kopen toen oorlog, sancties of problemen in de Straat van Hormuz de markt deden schrikken. China kon wachten, zijn raffinaderijen minder laten draaien, import uitstellen en teren op zijn oliereserve.
De enorme marktmacht die Peking daarmee heeft verworven, werd pas na 28 februari echt zichtbaar. Analisten vreesden dat de verstoring van de olietoevoer door de oorlog in Iran tot extreem hoge prijzen zou leiden. Toch bleef een nog zwaardere prijsschok uit. China speelde daarin een cruciale rol. Niet doordat het olie produceert, maar doordat het zijn vraag naar olie kon sturen en zo de prijzen sterk kon beïnvloeden.
Volgens The Economist is China daarom uitgegroeid tot een nieuwe globale machtsfactor op de oliemarkt. Het land kan zijn raffinaderijen meer of minder laten draaien, exportbeperkingen opleggen of schrappen, olieconsumptie beperken of verschuiven, en zo de druk op de wereldmarkt dempen of versterken.
En net dat is wat Peking lange tijd deed met zijn ‘theepot’-raffinaderijen (genoemd naar de kleine ketels) in de noordoostelijke provincie Shandong. Deze kleine ‘onafhankelijke’ raffinaderijen kochten tot voor kort tot 90 procent op van alle gesanctioneerde ruwe olie die Iran per schip exporteerde, en dat veelal aan dumpingprijzen. Hun verdienmodel met flinterdunne marges draait om het kopen van spotgoedkope ruwe olie, die te verwerken tot benzine en diesel, en ze daarna tegen stuntprijzen in de Chinese markt te zetten. Zo droeg die illegale oliestroom uit Iran sterk bij aan de energiezekerheid in China.
De oorlog veranderde dat. Volgens de Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, heeft Peking die ‘theepot’-raffinaderijen in Shandong bewust en dus gecontroleerd gas laten terugnemen, waardoor China de voorbije maanden zo’n 40 procent minder ruwe olie opkocht. Dat temperde gevoelig de druk op de al hoge olieprijzen.
De vraag is hoelang Peking dat kan volhouden. De totale oliereserves van China zijn inmiddels gezakt tot 1,2 miljard vaten. Dat is nog altijd robuust, volgens consultant Kpler. Sterker nog, het is vier keer meer dan de strategische oliereserve van de Verenigde Staten. Die zakte deze week onder de 300 miljoen vaten, het laagste niveau sinds 1983.
Oliehandelaren kijken vooral naar Shandong, de thuisbasis van de ‘theepot’-raffinaderijen. Daar daalden de voorraden in juli tot 360 miljoen vaten, de laagste stand in acht maanden. Zo groeit de vrees dat Peking er de productie straks weer zachtjes zal opschalen. En daar kan je beter op voorbereid zijn. Want iedereen weet nu: de oliemarkt wordt niet langer alleen bepaald door de grote producenten zoals het Opec-kartel. Minstens even belangrijk is: hoeveel olie koopt China en wanneer?


