Na een jaar waarin Iraniërs maandenlang de straat opgingen om de val van het regime te eisen, gaat de Nobelprijs voor de Vrede naar een Iraanse vrouw die opkomt voor gelijke rechten: Narges Mohammadi (51). Als adjunct-directeur en woordvoerder van het Defenders of Human Rights Centre (DHRC) in Iran pleit Mohammadi al jarenlang voor onder meer de afschaffing van de doodstraf in het land. Haar jarenlange strijd voor de rechten van gevangenen heeft van Mohammadi zelf al meermaals een gevangene gemaakt. Ze werd al twaalf keer gearresteerd, vijf keer veroordeeld tot in totaal meer dan 30 jaar gevangenisstraf en 154 zweepslagen.

Het regime heeft het op haar gemunt, maar dat houdt Mohammadi niet tegen. In een zeldzaam telefonisch interview aan The New York Times eerder dit jaar zei ze: ‘Hoe meer ze me straffen, hoe meer ze afnemen, hoe vastberadener ik word om te vechten tot we democratie en vrijheid bereiken, en niets minder.’ Vandaag zit Mohammadi vast in de beruchte Evin-gevangenis in Teheran, bijgenaamd de ‘Evin-universiteit’ omdat er zoveel studenten, kunstenaars en intellectuelen achter de tralies zitten.

Eerder dit jaar kreeg ze al de World Press Freedom Prize voor haar werk, samen met Niloofar Hamedi en Elahe Mohammadi, de journalisten die als eersten over Mahsa Jina Amini (22) hebben bericht. Amini stierf na een arrestatie door de zedenpolitie, omdat ze haar hoofddoek foutief zou gedragen hebben. Het was haar dood die een ongeziene protestgolf in Iran heeft ontketend. Ook de twee journalisten zitten nog steeds vast, een jaar na hun arrestatie.

‘Deze prijs is in de eerste plaats een erkenning voor het zeer belangrijke werk van een hele beweging in Iran’, aldus Berit Reiss-Andersen, de voorzitter van het Noorse Nobelcomité in Oslo. ‘Het is niet de taak van het comité om de impact van de prijs te bepalen, maar we hopen dat dit een aanmoediging is om het werk voort te zetten.’

De uitreiking van de prijs, goed voor 11 miljoen Zweedse kronen (ongeveer 1 miljoen euro), vindt plaats op 10 december. Het Nobelcomité riep bij de bekendmaking op om Mohammadi vrij te laten. ‘Als de Iraanse autoriteiten de juiste beslissing willen nemen, dan laten ze haar vrij. Dan kan ze aanwezig zijn om deze erkenning in ontvangst te nemen.’

Mohammadi groeide op in een middenklassengezin in Zanjan, een stad in het noordwesten in Iran. Haar vader was kok en boer. De familie van haar moeder was politiek actief. Door hun activisme belandden haar oom en twee neven in de cel na de Islamitische Revolutie in 1979. Mohammadi kreeg van haar ouders een waarschuwing die velen hoorden toen de monarchie was gevallen: hou je ver weg van politiek, want dat is gevaarlijk. Maar Mohammadi trok zich daar niet veel van aan. Tijdens haar ingenieursstudies wilde ze zich aansluiten bij een studentengroep voor vrouwen. Toen bleek dat die niet bestond, richtte ze er zelf eentje op.

Het is ook op de universiteit dat Mohammadi haar echtgenoot leerde kennen. Activist en schrijver Taghi Rahmani (nu 63) was een bekend gezicht in de intellectuele kringen van Iran en dus ook bij het islamitische regime. Opnieuw waarschuwden de ouders van Mohammadi haar, opnieuw legde ze dat naast zich neer: ze trouwde toch. Rahmani spendeerde hun eerste huwelijksverjaardag in eenzame opsluiting. Hij is volgens Reporters Without Borders ‘de meest opgepakte journalist in Iran’. Inmiddels leeft Rahmani met hun 16-jarige tweeling Ali en Kiana in ballingschap in Frankrijk.

Het is al meer dan acht jaar geleden dat Mohammadi haar kinderen heeft kunnen vasthouden. Toch koestert ze hoop, vooral toen ze zag hoe vorig jaar de Iraanse vrouwen de motor werden van een nieuwe opstand in Iran, de grootste die de Islamitische Republiek moest bedwingen in haar 44-jarige bewind.