Lente 1986. Terwijl vreemde wolken vanuit Tsjernobyl over Noorwegen drijven, onderzoekt de jonge Syvert het dubbelleven van zijn overleden vader. Decennia later worstelt ook zijn Russische halfzus Alevtina met haar afkomst, met een opstandige zoon en een studievriendin die geobsedeerd is met het eeuwige leven. Syvert, Alevtina en de mensen rond hen ervaren steeds meer onverklaarbare gebeurtenissen, die wel verband moeten houden met die geheimzinnige ster die op klaarlichte dag schijnt.

Karl Ove Knausgård brak tien jaar geleden internationaal door met de reeks Mijn strijd: zes autobiografische boeken waarin hij genadeloos zijn gehele leven ontleedde. Ingrijpende gebeurtenissen zoals de dood van zijn vader wisselde hij af met de meest mondaine beschrijvingen. Knausgård kroonde zich tot koning van het alledaagse detail: vijftig pagina’s over een kinderfeestje voelden even dwingend als de analyses van zijn zelfdestructieve neigingen en bodemloze schaamte.

Het was een even megalomaan als indrukwekkend project: op zo’n twee jaar tijd schreef de auteur meer dan drieduizend pagina’s over zijn leven bijeen en verzekerde hij zich van een plaats in de wereldliteratuur. Bij de voltooiing van het laatste deel, Vrouw, was Knausgård nog altijd slechts 43. Wat doen je dan als schrijver?

Tien jaar lang publiceerde de Noor voornamelijk korte essays. De laatste jaren werkt hij aan de cyclus De morgenster, zijn eerste romans sinds Engelen vallen langzaam (2004). De wolven van de eeuwigheid is het tweede deel uit de reeks, maar het verhaal speelt zich grotendeels af vóór de gebeurtenissen uit deel één. Waar dat boek aanving vlak na de verschijning van de mysterieuze morgenster, speelt hier bijna alle actie zich jaren eerder af. Voorkennis is dan ook niet nodig, hoewel latere delen moeten uitwijzen hoe alle gebeurtenissen en personages zich nu precies tot elkaar verhouden.

Knausgård heeft de negen vertellers van het eerste boek ingeruild voor twee nieuwe hoofdpersonages. Het levert daarom zeker geen strakker verteld verhaal op. Nochtans lijkt Knausgård zijn aanpak bij te sturen: onverklaarbare gebeurtenissen worden een stuk spaarzamer verteld en door zich te beperken tot twee hoofdpersonages weet hij deze een stuk beter uit de werken dan hun voorgangers. Tegelijk hervalt de auteur in veel van de maniërismen uit zijn non-fictie. Zo bombardeert hij de lezer met details en voert hij nooit het tempo op. In een plotloze autobiografie werkt dat hypnotiserend: je gelooft dat je echt een vlieg op de muur bent in het leven van de schrijver, of hij nu boodschappen doet of de liefde van zijn leven ontmoet.

Helaas leent die techniek zich minder tot het vertellen van een episch mysterie dat zich uitstrekt van de kernramp in Tsjernobyl tot het heden, en dat bol staat van de bovennatuurlijke verschijnselen. Knausgård alludeert in deze cyclus voortdurend op het einde der tijden. Maar wanneer je tientallen pagina’s besteedt aan het kookgedrag van je verteller, ogen die voortekenen net iets minder urgent. De apocalyps voelde nog nooit zo eindeloos. En toch blijft Knausgård fascineren. Zijn obsessies met de Bijbel en een immateriële werkelijkheid werken aanstekelijk.

Net zoals Mijn strijd schrijft Knausgård deze cyclus in een hoog tempo: sinds 2021 zijn er in het Noors al vier delen verschenen. Er volgen nog minstens twee delen, maar de auteur heeft inmiddels toegegeven dat hij zelf ook nog niet weet hoe het allemaal zal aflopen. Die aanpak doet denken aan Stephen King: nog zo’n snelschrijver die een gebrek aan structuur probeert te compenseren met pure vertelkracht en enthousiasme. Het leest allemaal vlot weg, en je blijft als lezer benieuwd waar dit naartoe gaat.

Vindt de auteur dan toch nog een evenwicht tussen zijn obsessies met het alledaagse en de mystiek? Voorlopig lijkt de Morgenster-cyclusvooral begaan met de wederopstanding van de mensheid uit de dood. Ook voor een herrijzenis van Knausgårds meesterschap is het nog niet te laat.