De regering-De Wever wil de kerncentrales nationaliseren om onze afhankelijkheid van fossiele energie-import te verminderen. Het plan geniet opvallend brede steun, en kreeg zelfs applaus vanaf de oppositiebanken in het parlement. Dat is een zeldzaamheid in het Belgische politieke landschap, en al zeker voor een traditionele splijtzwam zoals kernenergie.
De aantrekkingskracht van het idee is begrijpelijk. De wereld voelt instabieler dan enkele jaren geleden. Olie- en gasprijzen reageren nerveus op geopolitieke conflicten. De Straat van Hormuz, een cruciale aanvoerroute voor olie en vloeibaar gas, is al meer dan twee maanden gesloten. In zo’n context klinkt energie-onafhankelijkheid als een vorm van gezond verstand.
De redenering achter de nationalisering oogt dus coherent. Wie niet zelf investeert, blijft afhankelijk van import. En die import is vandaag nog grotendeels fossiel. De energiecrisis van 2022, door de oorlog in Oekraïne, heeft dat pijnlijk duidelijk gemaakt. Net zoals de olieschokken van de jaren 70 destijds een nucleaire golf op gang brachten, zou ook deze crisis een nieuw momentum kunnen creëren. Ook in andere westerse landen zoals Frankrijk en Japan wordt er opnieuw in kernenergie geïnvesteerd.
Toch is de kwestie niet zo simpel als ze lijkt. Om te beginnen is er de tijdshorizon. Kerncentrales nationaliseren is geen ingreep voor morgen. Het is een project dat zich uitstrekt over vele jaren, met effecten die pas voelbaar worden richting 2030 of 2035. Ze biedt geen enkel antwoord op de acute schokken van vandaag. Terwijl Nederland zijn nationaal oliecrisisplan activeert, met mogelijke maatregelen zoals snelheidsbeperkingen en autoloze zondagen, blijft het in België opvallend stil rond vraagbeperking en crisisbeheer.
Wat we wél zien, is dat er tientallen miljoenen euro’s worden vrijgemaakt voor steun aan fossiele brandstoffen, voor het woonwerkverkeer met de auto. Dat staat haaks op de retoriek van energie-onafhankelijkheid. Als het werkelijk de bedoeling is om onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, waarom blijft België diezelfde brandstoffen dan subsidiëren?
Bovendien verandert deze nationalisatie niets aan de internationale afhankelijkheden binnen de nucleaire keten. Kernenergie is niet autonoom. Uraniumwinning en -verrijking zijn geconcentreerd in een beperkt aantal landen en bedrijven. Zelfs als België volledige controle heeft over zijn reactoren, blijft het afhankelijk van buitenlandse leveranciers voor cruciale input.
Het idee dat kernenergie ons beschermt tegen fossiele prijsschokken werd bovendien al eerder getest. In 2022, toen Russische troepen Oekraïne binnenvielen, draaiden onze zeven reactoren nog. De eerste reactorsluiting, van Doel 3, gebeurde pas in september 2022. Toch schoten de elektriciteitsprijzen naar ongeziene hoogtes vanaf eind 2021, deels omdat Frankrijk kampte met uitvallende kerncentrales en elektriciteit moest importeren, onder meer uit Duitsland, dat toen sterk leunde op gas.
Dat voorbeeld toont ook aan dat elektriciteitshandel met de buurlanden niet per se een strategische kwetsbaarheid inhoudt. Stroom importeren uit de buurlanden kan goedkoper zijn dan zelf produceren, zeker in een markt waar hernieuwbare energie steeds vaker de prijs zet. Zo importeerde België onlangs, op 18 april, nog een recordhoeveelheid elektriciteit, goed voor 58 procent van het verbruik op dagbasis. Die import had geen enkele negatieve impact op de bevoorradingszekerheid of prijzen. Integendeel: die import was net het gevolg van lage prijzen in het buitenland. Belgische gascentrales lagen op dat moment stil, omdat ze niet konden concurreren met de goedkope import.



