Sinds 31 mei gelden er nieuwe regels die de studievoortgangs-voorwaarden aanscherpen van niet-Europese studenten die in België willen studeren of hun studentenverblijf willen verlengen. Zo zullen buitenlandse studenten sneller moeten aantonen dat ze effectief vooruitgang boeken in hun opleiding. Voor graduaats- en bacheloropleidingen wordt de lat hoger gelegd: na twee academiejaren moeten minstens 60 studiepunten behaald zijn, en nadien telkens minstens 40 bijkomende studiepunten per jaar. Ook voor masteropleidingen, voortgezette masters, certificaten en doctoraten komen er duidelijkere grenzen op de maximale studieduur. Dat heeft minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA) aangekondigd in een persbericht.

In 2025 vroegen bijna 14.000 niet-EU-studenten een eerste visum aan om te studeren in België. Zij zullen de nodige studievoortgang moeten kunnen bewijzen, ook wanneer ze van richting willen veranderen. Op die manier wil de minister vermijden dat studenten hun verblijf “kunstmatig verlengen”. In 2025 kregen zo’n 400 studenten geen verlenging van hun visum, omdat ze onvoldoende credits behaalden of te vaak van studierichting veranderden. “Studeren in België is geen draaideur”, zegt Van Bossuyt.

Daarom zal een student die tijdens de eerste drie jaar van zijn verblijf een derde studierichting wil beginnen, terwijl de twee vorige richtingen zonder succes werden beëindigd, in principe geen verlenging van zijn verblijfsvergunning kunnen krijgen. Ook wie na een hogere opleiding zonder succes overschakelt naar een opleiding van lager academisch niveau, zal strenger worden beoordeeld.

Ook voor studenten die volgend academiejaar naar België willen komen, worden de regels verstrengd, meer bepaald de voorwaarden voor het verkrijgen van een visum om een opleiding aan een niet-erkende instelling te volgen. Het gaat om instellingen die niet erkend zijn door de bevoegde overheid en die niet onderworpen zijn aan het officiële kwaliteits- en accreditatietoezicht, zoals muziek- of balletscholen. Daar vallen de koninklijke academies evenwel niet onder.

Ook voor niet-erkende instellingen die opleidingen aanbieden die sterk lijken op opleidingen binnen het erkende hoger onderwijs, zoals bepaalde businessschools, worden de voorwaarden strenger. Vooral bij die laatste groep bestaat er minder garantie over het niveau en de kwaliteit van de opleiding of de waarde van de afgeleverde studiebewijzen, stelt Van Bossuyt.

Wil een student aan zo’n opleiding beginnen, dan moet die voortaan onder meer een definitieve inschrijving en volledige betaling van het inschrijvingsgeld aantonen, voldoende talenkennis bewijzen, hun academische en professionele parcours geloofwaardig motiveren, en voldoende bestaansmiddelen voor het volledige academiejaar aantonen door middel van een bankwaarborg.