Het wordt beschouwd als de heilige graal om de Belgische begroting te saneren: de werkzaamheidsgraad opkrikken naar 80 procent. Daarmee wordt bedoeld dat 80 procent van de bevolking tussen 20 en 64 jaar vol- of deeltijds aan het werk is. Dat is de categorie waarnaar wordt gekeken in internationale vergelijkingen. Hoe meer mensen aan het werk, hoe minder uitkeringen uitbetaald moeten worden en hoe meer belastingen en sociale bijdragen binnenkomen. Werk is dus een win-win voor de begroting.

Het is dan ook niet voor niets dat de regering-De Wever in haar regeerakkoord schrijft dat “onze centrale doelstelling is om op termijn de werkzaamheidsgraad tegen 2029 te verhogen in de richting van 80 procent”. In het Vlaamse regeerakkoord is de strategische doelstelling van het arbeidsmarktbeleid om “zo snel mogelijk een werkzaamheidsgraad van 80 procent te bereiken en te overschrijden”.

Vorige regeringen spraken die ambitie ook al uit. Pierre-Yves Dermagne (PS), de minister van Werk in de regering-De Croo, klopte zich op de borst dat België 80 procent in 2030 zou halen. Maar de regionale economische vooruitzichten, die het Federaal Planbureau vorige maand bekendmaakte, tonen dat Dermagne wel erg optimistisch was.

In heel België stijgt de werkzaamheidsgraad lichtjes: van 72,3 procent in 2024 naar 74,8 procent in 2031. De verschillen tussen de regio’s blijven groot, maar in alle regio’s is er een lichte stijging. Het Waals Gewest tekent in diezelfde periode de sterkste stijging op en landt in 2031 op 70,4 procent. De werkzaamheidsgraad in Brussel blijft na een lichte stijging in 2031 nog altijd steken op 65,6 procent. Vlaanderen klokt af op 79 procent.

“We moeten wel goed voor ogen houden waarom we die 80 procent willen halen, met name om de draagkracht voor onze sociale zekerheid en begroting te verbreden”, zegt Ive Marx, hoogleraar sociaal-economisch beleid aan de UAntwerpen. “Die 80 procent mag geen fetisj zijn waarvoor dure systemen worden ontworpen om toch maar die grens te bereiken. Het moet wel geld opbrengen. Neem de lastenverlaging voor de eerste aanwerving. Dat kost veel geld, maar ondertussen is duidelijk dat die maatregel niet effectief is. Nog zo’n voorbeeld is het overgesubsidieerde systeem van de dienstencheques. Dat stimuleert tewerkstelling, maar tegen welke kostprijs?”

Het Federaal Planbureau wijst erop dat in de periode 2028-2031 het federale pakket aan arbeidsmarktmaatregelen bijdraagt aan de versnelling van de werkgelegenheidsgroei. Naast de flexibilisering van de arbeidsmarkt is de meest ingrijpende maatregel de beperking van de werkloosheid in de tijd. Van de mensen die hun uitkering verloren, gingen er voorlopig minder dan verwacht aan de slag, maar het is nog altijd meer dan niets. Bovendien staan de mensen die hun uitkering al verloren hebben, het verst van de arbeidsmarkt.

De beperking van de werkloosheid leidt volgens het Federaal Planbureau ook tot een sterkere groei in loontrekkende werkgelegenheid in Brussel en Wallonië dan in Vlaanderen. In Vlaanderen groeit het aantal zelfstandigen dan weer sneller dan in Brussel en Wallonië. Maar tegelijk drukt de beperking van de werkloosheid de productiviteitsgroei. De maatregel doet vooral nieuwe mensen terechtkomen in sectoren met lagere lonen en minder productiviteit.

“De beperking van de werkloosheid in de tijd zal de werkzaamheidsgraad een zetje geven, net als de pensioenhervorming en de maatregelen om meer langdurige zieken naar de arbeidsmarkt te leiden”, zegt Marx. “Tegelijk neemt de regering maatregelen die het omgekeerde effect hebben: neem de uitbreiding van de flexi-jobs naar alle sectoren. Dat is werk dat gaat naar mensen die al aan de slag zijn en niet naar nieuwe mensen.” De voorwaarde om een flexi-job uit te oefenen is dat iemand minstens vier vijfde werkt of gepensioneerd is.