“Onder controle? Nee, zeker niet. We zijn er wel in geslaagd om te vermijden dat de brand oversloeg naar de hogere dennenbomen. Maar laten we duidelijk zijn: de brand is niet onder controle.” De brandweerman die voor ons staat windt er geen doekjes rond. Hij heet Grégory Mélotte en is goed voorbereid, met een mondmasker, grote helm, luchtdichte bril, een doek rond zijn hals en een brandwerend pak. Toch ziet hij er verslagen uit. Zijn ogen zijn rood, hij heeft kleine wondjes op zijn gezicht, en dat gezicht ligt in een laconieke plooi. “Het is zwaar. De rook irriteert onze longen en ogen.”
Achter Mélotte ligt een eindeloos tapijt van smeulende takken en as. Bij elke windstoot worden de rookpluimen groter. We beseffen dat we moeten vertrekken, wanneer we zien dat de brandweer opnieuw in groten getale begint te blussen.
De brand is niet onder controle: dat horen we wanneer we zaterdag arriveren, en dat horen we nog het hele weekend. Vierentwintig uur na onze aankomst lijkt het van kwaad naar erger te gaan. Duizenden hectaren liggen in de as.
Zaterdagavond heerst angst voor wat de nacht zal brengen, wanneer de helikopters niet de lucht in kunnen. Tijdens de nacht lijkt die angst ook terecht. Dwars door de zwarte rookpluim stijgt een roodoranje gloed op aan de horizon. De gloed beweegt mee met de wind. Zondagochtend stellen we vast dat de brand niet alleen fors is uitgebreid, maar op Google Maps de vorm heeft aangenomen van het land België.
Als we die zondagochtend terugkeren naar het dorp Sourbrodt, waar we zaterdag ook zijn langsgegaan, zijn de rookwolken dikker en donkerder. Het is moeilijk ademen. Wie geen masker heeft, lijkt te weinig zelfliefde te hebben. De vrijwilligers moeten een pak minder lachen dan de avond ervoor.
We spreken aan de hulppost met Jordy (28), een brandweerman die liever niet met zijn achternaam in de krant wil. “Het vuur is wild en groot, zoiets heb ik nog niet gezien, en eerlijk gezegd was ik er niet op voorbereid. Niemand van ons, omdat we het simpelweg nog nooit gezien hebben.” Zijn blauwe irissen steken af tegen zijn bloeddoorlopen ogen. Op zijn blikje energiedrank staan zwarte afdrukken van zijn met as en houtskool besmeurde vingers. “Afgelopen nacht hebben we damagecontrol moeten doen: aan de boorden van de brand proberen te blussen, zodat die niet verder verspreidt. Garder le feu, zeggen we in het Frans. Kent u die uitdrukking?”
De grootste vrees zaterdag is dat de brand de N68 zou oversteken, een drukke weg die tussen twee stukken natuur loopt. Dat is voorlopig niet gebeurd. Zondag zijn ook de blushelikopters uit Nederland ter plekke.
We spreken de chef van de Nederlandse blushelikopters. Hij bevindt zich diep in de perimeter van de N68, enkele kilometers voor de dichtstbijzijnde brandhaard. Zijn naam is Richard Kraai. Hij ziet er optimistisch uit, maar zijn woorden spreken dat tegen. “De brand is groter dan de capaciteit die we hebben, we moeten keuzes maken”, zegt hij. “Dat is uitzonderlijk. Maar de brand op zich is niet anders dan de branden die ik in Nederland al heb gezien. Wel anders hier is de ongelooflijke solidariteit. Zoveel hulp! Aan de andere kant maakt dat het moeilijker om het veilig te houden. Meer mensen is meer risico.”


