De dramatische beelden van de brand die 3.000 hectare van de Hoge Venen in de as legde, schokken natuurliefhebbers. Ook onderzoekers kijken er met pijn in het hart naar. “Een ramp, zo’n uniek gebied zien branden”, zucht Rudy van Diggelen, emeritus professor biologie aan de UAntwerpen. “Een gezond veen is kletsnat. Daar raast het vuur overheen zonder al te veel schade aan te richten”, zegt hij. “Maar hier was de bodem uitgedroogd.” De kans is groot dat vuur en hitte diep in de bodem zijn doorgedrongen. Hoeveel schade er zo aangericht is, zal pas binnen enkele dagen, weken of zelfs een jaar duidelijk worden.
Hoe de unieke flora en fauna eraan toe zijn, blijft dus bang afwachten. Vuur en hitte kunnen wortels en zaden vernietigd hebben, wat spontaan herstel hypothekeert. Behalve van hoofdrolspeler veenmos is het lot van planten als zonnedauw, beenbreek en een reeks wilde orchideeën onzeker.
Zeldzame insecten zoals de hoogveenglanslibel zijn wellicht verschroeid. Het is afwachten of de levendbarende hagedis zich tijdig en diep genoeg kon ingraven. “Alleen wie snel genoeg weg kon vliegen of lopen, zal zich in veiligheid gebracht kunnen hebben”, denkt Wout Opdekamp, wetenschappelijk medewerker en veenkenner bij Natagora, de Waalse tegenhanger van Natuurpunt. Zo hopelijk ook het korhoen, dat bijna uitgestorven was en met de introductie van Zweedse exemplaren aan een reddingspoging bezig was. “Maar welke kansen om te overleven heeft de vogel in een zwartgeblakerd landschap?”, vraagt Opdekamp zich af.
De fatale uitdroging van de bodem ligt deels aan de hete, regenloze zomer die we meemaken, maar vooral ook aan een structurele drooglegging die al meer dan een eeuw aan de gang was. De Venen werden gedraineerd om er sparren te kunnen planten, nuttig voor de mijnbouw en voor de houtproductie. Maar daardoor droogde het veen uit en dan wordt het turf. Dat is, zo wisten onze voorouders-turfstekers al, een uitstekende brandstof. “We hebben dit soort branden dus voor een groot deel over onszelf afgeroepen”, zegt Van Diggelen.
Veen is een complex ecosysteem. Het gedijt op een bodem waarvan het waterniveau op gelijke hoogte met het maaiveld staat. Door die directe lijn is veen erg gevoelig voor droogte en schommelingen van het waterpeil. Door de verdroging waren de Hoge Venen al gedegradeerd. Zo waren het pijpenstrootje (een grassoort) en heide er opgedoken, planten die branden als een toorts als ze verdord zijn.
Het probleem was bekend en sinds begin jaren 2000 liepen er herstelprojecten. Afwateringsgrachten werden gedempt en er kwamen maanvormige dammetjes om het water vast te houden. “Van bijvoorbeeld de Fagne des Deux-Séries was een vijfde tot een kwart hersteld. De libellen keerden terug”, zegt Opdekamp. Maar het was nog te weinig. Er zal volgens hem méér nodig zijn: grootschalige, ook landschapsgerichte maatregelen die een halt toeroepen aan de afwatering die zowel in het gebied als aan de randen blijft voortduren.
Rijst de vraag hoe de natuur zich na zo’n inferno dan wel kan herstellen? Zeker als je weet dat veen ontzettend langzaam groeit: amper een tot twee millimeter per jaar. Zal menselijk ingrijpen noodzakelijk zijn? “Je zou kunnen overwegen gezond veenmos van een andere regio naar de Hoge Venen over te brengen”, zegt Christof Vanackere, veenspecialist bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). “In Canada en de Baltische landen hebben ze dat geprobeerd. Maar allerbelangrijkst is dat eerst de waterhuishouding weer op orde gebracht is. Krijg je de watertafel niet hoog genoeg, dan zijn andere ingrepen zinloos.”
De Hoge Venen bevinden zich op een plateau in de Ardennen en worden gevoed door regenwater, dat door de harde ondergrond niet kan insijpelen. Vlaanderen heeft ook veen. Tussen 7.000 en 7.500 hectare valt onder natuurbeheer (onder andere Agentschap Natuur en Bos, en Natuurpunt). Is het even kwetsbaar als de Hoge Venen? “Ons veen is anders”, zeggen Lander Wantens en Cyr Mestdagh, specialisten ter zake bij Natuurpunt. “Het is laagveen dat gedijt op grondwater in valleien, eerder dan op regenwater. Het is door zijn samenstelling iets minder gevoelig voor brand.”


