De brand die sinds vrijdagavond woedt in de Hoge Venen, heeft intussen al meer dan 3.000 hectare veengebied in de as gelegd. Dat uitgerekend het natste gebied van België en omstreken het toneel werd voor de op een na grootste vuurhaard die ons land ooit heeft gekend, verbaast gewoon hoogleraar geografie en veenexpert Gert Verstraeten (KU Leuven) niet. “Deze zomer is de droogste die de Hoge Venen in honderd jaar hebben gekend. Veengebieden horen nat te zijn, maar als ze uitdrogen, wordt de ondergrond één brok samengeperst koolstof. Dat is puur brandstof voor natuurbranden.”
“Het veengebied rond Mont Rigi is meer dan negenduizend jaar oud”, vertelt Verstraeten. “Omdat het harde gesteente onder de hoogvlakte geen vocht doorlaat, blijft het water er staan. In die natte omgeving kunnen afgestorven plantenresten niet ontbinden, en blijven ze opstapelen tot een dikke laag natte biomassa. Maar hoe warmer het wordt, hoe meer het veenmateriaal dreigt uit te drogen.”
Al is de kwetsbare toestand van het gebied volgens Verstraeten niet uitsluitend te wijten aan de uitzonderlijke droogte en de klimaatverandering die haar aanwakkert. “Sinds de Luikse mijnbouw in de negentiende eeuw hout nodig had, heeft men er alles aan gedaan om het gebied te bebossen met sparren. Daarvoor zijn drainagekanalen aangelegd die het ven uitdrogen. We hebben het gebied zelf drooggelegd, en die fout keert als een boemerang terug.”
Ook in het voorjaar van 2011 ging nog 1.300 hectare van het hoogveen in vlammen op. Net als toen brak de brand ook afgelopen vrijdag uit in een deel van het landschap dat nog steeds door een vierkant grachtennetwerk is doorkliefd. “Het heeft lang geduurd voor men het gebied is gaan beschermen,” zegt Verstraeten, “en pas de laatste twintig jaar wordt het weer actief ‘vernat’. Er worden grachten gedicht en dammetjes gebouwd, maar om het water het ganse jaar door op peil te houden, moet het hele gebied weer een aaneengesloten ven worden.”
Dat de brand nu in volle zomer uitbreekt, maakt de situatie des te zorgwekkender, zegt Verstraeten. “Het veenmateriaal is op sommige plaatsen tot zeven meter dik. Door de hete zomer is de droogte diep in de grond gedrongen.” Zo diep kan ook het vuur gaan. Daar kan het tot maandenlang blijven smeulen in de dikke laag biomassa, wachtend tot een windvlaag voldoende zuurstof aanvoert om de brand weer te laten opflakkeren.
Hoelang het gevaar op een heropflakkering blijft, zal afhangen van de neerslag de komende maanden. Verstraeten: “Als het in de herfst niet voldoende regent, wordt het wachten tot de winter. Sneeuw kan het vuur verder doven, maar ook een isolatielaagje vormen waaronder het juist afgeschermd blijft. En als de sneeuw te snel smelt, loopt het water weg voordat het diep genoeg in de bodem trekt.”
Terwijl het vuur in de diepte verder woedt, kijkt het bovengrondse ecosysteem tegen een lang en onzeker herstel aan. Verstraeten: “Sommige gewassen kunnen in enkele jaren weer herstellen, maar dat zijn vooral droge grassen, die het gebied nog kwetsbaarder maken voor toekomstige branden. Andere soorten als veenmossen doen er veel langer over.”
Waar planten jaren en dieren decennia nodig zullen hebben om de brand te boven te komen, is dat voor het veenmateriaal een kwestie van eeuwen. “Veengebieden slaan wereldwijd dubbel zoveel koolstof op als alle bossen en regenwouden samen. Bij branden als deze komt er een enorme hoeveelheid koolstof vrij die al duizenden jaren in de bodem zat. Die uitstoot wordt zelden meegerekend bij ons gebruik van fossiele brandstoffen, maar wakkert de klimaatverandering alleen maar aan.”

