Mijn hart bloedt bij het nieuws uit Minneapolis. Ik was er in oktober 2024, net voor de presidentsverkiezingen en het is een fijne plek met vriendelijke mensen. Het stikt er van de enthousiaste fietsers, ik heb hele dagen versleten met bollen over de tientallen kilometers fietspaden die in de stad liggen. Mijn vaste rondje was langs de Mississippi-rivier richting downtown en dan over de Midtown Greenway via het Bda Maka Ska-meer langs Lake Harriet en door naar Lake Nokomis. Tegen de tijd dat ik de Minnehaha Falls zag liggen, was ik bijna “thuis”.

Ik zorgde in Minneapolis ruim drie weken voor Dot, een gemene kat die veel weg had van een bowlingbal op pootjes. Ze was de oogappel van Candyce, een vrouw met twee gezichten. Candyce kwam me ophalen van het vliegveld en onderweg informeerde ze naar m’n werk, familie, interesses en babbelden we over haar aanstaande vakantie. Een aardige en innemende vrouw. Maar toen ze me een rondleiding door het huis gaf, vertelde ze langs haar neus weg hoe ze eigenhandig een wasbeer had verzopen in haar badkuip. “Dat rotbeest haalde iedere nacht de hele vuilnisbak overhoop.” Ze had eerst geprobeerd om hem neer te schieten, met de kleine revolver die ze altijd in haar handtas heeft zitten, maar dat was mislukt. Ze had het beest wel dusdanig verwond dat ze het zonder tegenstribbelen onder water kon houden totdat het stopte met ademhalen. Candyce bleek ineens ook een enigszins moordlustige vrouw met een wapen op zak.

In Minneapolis kon je destijds door de Harris/Walz-verkiezingsbordjes de voortuinen bijna niet zien, maar bij het huis van Candyce stond niks. “Ik hou er niet van om met mijn politieke voorkeur te koop te lopen”, zei ze daarover. Ik vroeg of ze al wist op wie ze ging stemmen en daarop antwoordde ze nee. Ze legde uit dat ze Trump “voor geen meter vertrouwde”, maar van Harris “geen idee had waar die voor stond”. De prijzen in de supermarkt en aan de pomp moesten naar beneden en de waarde van haar pensioenbeleggingen omhoog, daar lagen haar prioriteiten. Toen Candyce terugkwam van haar reis door de Alpen, vertelde ze hoe irritant de rest van haar reisgezelschap was geweest. “Het ging de hele dag over Harris, het was Kamala voor en Kamala na, om niet goed van te worden”, klaagde ze.

Het contact met Candyce verwaterde na mijn vertrek uit Minneapolis. Het wasberenverhaal schrikte me een beetje af en ze is bovendien een boomer die niet zo handig is met haar telefoon. Berichtjes miste ze vaak en haar voicemail beluisteren lukte meestal niet. Deze week besloot ik haar weer eens te bellen. Ik zit begin volgende maand een paar dagen zonder onderdak en misschien was er in Minneapolis een gratis slaapplaats te regelen. Kon ik gelijk even polsen hoe de zaken daar staan. Dot was inmiddels aan haar vraatzucht bezweken en met Candyce zelf ging het ook niet goed. “De hele buurt haat me en ik denk erover om te verhuizen.”

Candyce had uiteindelijk in het stemhokje het bolletje voor Trump aangevinkt en dat na een wijntje te veel aan een buurvrouw toevertrouwd. “En toen kwam ICE. En nu kijkt de hele buurt me met de nek aan.” In haar handwerkgroepje is ze niet meer welkom en ook voor de leesclub wordt ze niet meer uitgenodigd. “Maar hier heb ik helemaal niet voor gekozen”, sputtert ze door de telefoon. “De werkwijze van ICE is volkomen ongrondwettelijk. Ik kon toch ook niet weten dat ze mijn stadsgenoten op straat zouden neerknallen? Daar heeft toch niemand op gestemd?”

Na de dood van Renee Good heeft Candyce de Amerikaanse vlag die altijd bij haar voordeur wappert, ondersteboven gehangen. Een teken dat het land in nood verkeert. In een podcast van The New York Times hoorde ze over een lokale seksshop die spullen inzamelt voor migranten die hun huis niet meer uit durven uit angst door ICE gedeporteerd te worden. Ze is er naartoe gegaan met tassen vol blikvoeding en zakken rijst. Ze heeft zich ingeschreven voor een carpoolgroep die kinderen van ongedocumenteerde ouders van en naar school brengt, omdat papa en mama dat zelf niet meer durven. Ze heeft honderd fluitjes besteld op Amazon en die afgelopen week bij een protest in de buurt uitgedeeld. (Inwoners waarschuwen elkaar dat ICE in de buurt is door op fluitjes te blazen.) Ze heeft bloemen gelegd bij de gedenkplaats voor Alex Pretti en er samen met een haar onbekende vrouw onbedaarlijk staan huilen. Het luchtte op, maar het schuldgevoel gaat niet weg. ”Ik voel me medeverantwoordelijk”, verzucht ze aan de andere kant van de lijn. “Hoe kan ik dit ooit goedmaken?”