Met de Amerikaanse golden goal in de ijshockeyfinale viel zondagnamiddag het doek over de Olympische Winterspelen in Milaan en Cortina d’Ampezzo, de vijfentwintigste sinds 1924. Een editie waarin, anders dan vier jaar geleden, het ongecompliceerde sportplezier weer centraal stond. Er waren sportieve kwesties, zeker – die blijven tijdens het grootste sportevenement ter wereld nimmer achterwege. En ook het IOC-mantra dat sport en politiek gescheiden werelden zijn, bleek weer eens een grote illusie. Toch drong de geopolitieke turbulentie minder dan verwacht door op de piste en de ijsbaan.

De Spelen in Peking (2022) waren buiten de sport kil en kaal. Publiek van buiten China was vanwege de coronapandemie niet welkom; sporters, journalisten en functionarissen bewogen zich in strak gehandhaafde bubbels. Het autoritaire regime gebruikte de Spelen om ruimhartig propaganda te bedrijven voor zichzelf.

In Milaan-Cortina was de sfeer een stuk meer ontspannen. Het waren de eerste Winterspelen in Europa in twintig jaar, in een vrij land bovendien. Op straat en in de stadions waren dagelijks de klassieke olympische taferelen zichtbaar: sportfans uit de hele wereld die speldjes uitwisselden en met elkaar op de foto gingen, goedgemutste vrijwilligers die bezoekers en pers de weg wezen, medaillewinnaars die elkaar innig omhelsden.

Her en der was het wat chaotisch: schaatsers stonden regelmatig in de file als ze in Milaan de bus namen van het olympisch dorp naar de ijsbaan aan de andere kant van de stad. Maar verder verliepen de Spelen buitengewoon soepel. Italië wist zich voor twee weken te ontdoen van zijn imago als land waar alles con calma gebeurt.

De politiek kon niet helemaal buiten de deur gehouden worden. Tijdens de openingsceremonie werd de Amerikaanse vicepresident J.D. Vance uitgefloten. De Zwitserse publieke omroep verwijderde opmerkingen van een commentator over een Israëlische bobsleeër. En de organisatie van de Paralympische Spelen kondigde aan dat Rusland bij de editie van dit jaar, die over twee weken begint, weer onder eigen vlag mag deelnemen – wat per ommegaande leidde tot een aangekondigde boycot van de openingsceremonie door Oekraïne.

De meest dramatische kwestie had ook te maken met de oorlog in Oekraïne. Skeletonner Vladyslav Heraskevytsj droeg tijdens zijn eerste training een helm met afbeeldingen van gesneuvelde Oekraïense sporters, waarop de organisatie hem dat voor de rest van de Spelen verbood: dit was een “politiek statement”. Toen Heraskevytsj voet bij stuk hield, een betraand appèl van IOC-voorzitter Kirsty Coventry ten spijt, volgde de ultieme sanctie: diskwalificatie.

Toch hadden de Spelen nog een heel stuk beladener kunnen uitpakken. De komst van de beruchte Amerikaanse immigratiepolitie ICE naar Milaan dreigde uit te lopen op een politieke rel, maar die bleef uit: uiteindelijk opereerde de dienst onzichtbaar. De radicaal-rechtse premier Giorgia Meloni van Italië weerstond de verleiding om vol op het nationalistische orgel te gaan over de sportieve successen van haar land. En dat de Amerikaanse president Trump besloot om de ijshockeyfinale tegen Canada aan zich voorbij te laten gaan, heeft zonder twijfel ook de nodige politieke controverse voorkomen.

Sportief gezien was Milaan-Cortina een editie om van te smullen. Triomf en tragedie wisselden elkaar in hoog tempo af. Het superieure optreden van de Noorse langlaufer Johannes Klaebo: zes gouden medailles, een nieuw olympisch record. De val van de Amerikaanse skiër Lindsey Vonn, haar landgenoot Mikaela Shiffrin die haar olympische demonen juist verdreef met goud op de slalom. De Franse biatlonvrouwen die heersten – ondanks onderlinge creditcarddiefstal en sabotage van een wedstrijdgeweer ten spijt.