Het is al bijna zes jaar geleden dat een politieman in Minneapolis een zwarte man, George Floyd, doodde tijdens zijn arrestatie. De gevolgen waren niet te overzien, in de VS en in veel andere landen. Het was een hoogtepunt van de Black Lives Matter protesten tegen het politiegeweld dat al heel lang zwarte mannen viseerde. Toch heeft dat de Democraten niet geholpen. Veel mensen zagen die partij toch al als een elitaire linkse kerk die minderheden in de watten legde ten koste van witte Amerikanen, de “deplorables”.
De twee moorden in diezelfde stad, in januari, zouden nog grotere consequenties kunnen hebben. Gemaskerde ICE-agenten doodden eerst Renée Good, een moeder van drie kinderen, met schoten door de voorruit van haar auto, en vervolgens werd Alex Pretti, een verpleger, tegen de grond gegooid en met tien kogels in de rug afgemaakt. Good probeerde juist met haar auto de agenten te ontwijken, Pretti had een smartphone in zijn hand.
Zonder enig bewijs werden Good en Pretti door de leiders van Trumps veiligheidsapparaat afgeschilderd als een “binnenlandse terrorist” en een “potentiële massamoordenaar”.
De schietpartijen in Minneapolis waren volkomen voorspelbaar. Je stuurt niet zomaar slecht getrainde, zwaarbewapende, gemaskerde mannen naar Democratische steden om deuren in te trappen, kinderen te arresteren en mensen op te pakken zonder arrestatiebevel of een gegronde reden. Dat is bruut geweld als een schouwspel. De ICE-agenten doen niets om hun agressie te verbergen. Het is juist de bedoeling dat iedereen het kan zien.
De Democratische presidenten Barack Obama en Joe Biden hebben meer migranten gedeporteerd dan Donald Trump, respectievelijk 3,1 en 4 miljoen. Trump stuurde in zijn eerste ambtstermijn 1,9 miljoen mensen het land uit en tot nu toe 540.000 in zijn tweede termijn. Maar Obama en Biden gingen veel minder hardhandig te werk. Zij probeerden zich te beperken tot criminelen. Je hoorde geen verhalen over kinderen die werden opgesloten, oude mannen die halfnaakt in de vrieskou uit hun huizen werden gesleurd, mensen die werden gedeporteerd naar verre landen waarvan ze de taal niet eens spraken, en zeker niet van Amerikanen die op straat werden neergeknald.
Dat soort wrede praktijken zijn opzettelijk, om te laten zien dat Trump alles zal doen om Amerikanen te beschermen tegen “drugsdealers, criminelen en verkrachters” uit enge landen – “shithole countries”, in zijn woorden. Na de aanslagen op 11 september 2001 kregen agenten van president George W. Bush te horen dat het tijd was om de zaken anders aan te pakken. “Terroristen” martelen en doden was voortaan geoorloofd. Ook hij wilde tonen dat de veiligheid van Amerikanen voorop stond.
Autoritaire regimes en revolutionaire bewegingen maken dikwijls gebruik van performatief geweld tegen mensen die hen in de weg staan. In de eerste fase van het nazibewind was het de rol van de Sturmabteilung (SA) om Joden, communisten en andere dwarsliggers met grof geweld te intimideren. Veel Duitsers waren daar vermoedelijk niet blij mee, maar zij keken liever weg, niet alleen uit gegronde vrees, maar omdat het regime het alleen op bepaalde groepen had gemunt. Zolang je geen Jood of communist was, hoefde je je niet zo veel zorgen te maken.
Stalin ging anders te werk. Hij maakte helemaal geen onderscheid. Iedereen die hem dwarszat, ook loyale communistische leiders, kon in een oogwenk verdwijnen in martelcellen en strafkampen. Iedereen in de Sovjet-Unie leefde permanent in angst. Dat was ook de bedoeling. Maar Stalin was een uitzondering. De meeste dictators en aspirant-dictators zijn selectiever in het kiezen van hun slachtoffers.



